BIOGRAFIE door Marius van Melle

In 1987 maakte de zoon van Jaap Kruijff, Thijs, een film waarin getoond wordt hoe de kunstenaar scheppend bezig is. Terwijl de sonore stem van de acteur Ton Lensink uitleg geeft, ziet men de kunstenaar druk bezig lithografieën te vervaardigen. Daarna verplaatst het beeld zich naar Noord-Italië, geliefd zomerverblijf van Kruijff en zijn vrouw, en probeert de kunstenaar uit te leggen wat hem drijft en inspireert. “Ik ben op zoek naar het landschap van stilte en harmonie. Op zoek naar plaatsen die emotie losmaken. (…) Ik zie die harmonie op sommige plekken in de natuur en dan moet ik tekenen. Een onverklaarbare drift om aan het werk te gaan.”

Jakob Johan Kruijff (de achternaam wordt soms, ook door hemzelf, als Kruyff gespeld; roepnaam: Jaap) werd geboren op Sumatra in het toenmalige Nederlandsch Indië op 26 augustus 1917. Zijn geboorte-plaats is officieel Tandjong Poera (nu gespeld als Tanjong Pura), een havenplaats in het sultanaat Langkat. Deze plaats was het bestuurscentrum en daar werd zijn geboorte aangegeven. In werkelijkheid zag hij het levenslicht een stuk westelijker van deze plaats, namelijk op de plantage Ludwigsburg, die sinds 1927 Gohor Lama heet. Een exotische plek om geboren te worden, aan de rand van het in cultuur gebrachte gebied aan de oostkust van Sumatra, dat enkele decennia ervoor nog grotendeels ongerept oerwoud was. De Duitser Ludwig Hüttenbach was in 1883 met de aanleg van deze plantage begonnen en had zijn naam eraan verbonden.

Jaaps vader, Hendrik Kruijff, kwam uit een geslacht dat al enkele generaties lang bloembollen teelde en verhandelde in Sassenheim en omgeving. Hendriks overgrootvader, Engel Kruijff (1785-1851) was ermee begonnen. Zijn vier zonen hadden het bedrijf voortgezet, maar hun samenwerking was verbroken toen een van hen trouwde met een dochter van een andere bloembollenteler en toetrad tot de firma van zijn schoonvader (firma Van Waveren & Kruijff) en vervolgens het bedrijf van zijn broers ging beconcurreren. Bij de firma E. Kruijff stapte toen ook een andere broer op, maar werd een lid van een jongere generatie, een achterneef, als firmant binnengehaald. Deze zou de vader worden van de Larense schilderes Anna Maria Kruijff (1870-1946), gespecialiseerd in landschappen en het portretteren van huisdieren. Binnen het bollengeslacht waarden dus ook artistieke genen rond.

De jonge firmant overleed echter al enkele jaren later, waarna de inmiddels 67-jarige Hendrik Kruijff het voortbestaan van de firma veilig stelde door in 1878 zijn zoon Jacob Johannes en zijn achterneef Gerard Vlasveld tot firmant te benoemen. Een jaar later beviel de echtgenote van Jacob Johannes Kruijff, Johanna Maria Klinkenberg, van een zoontje dat naar de grootvader van vaderszijde Hendrik werd gedoopt. Hij zou de vader van Jaap worden.

Hendrik werd echter toen hij volwassen werd niet in de firma opgenomen, terwijl dat met de twee zonen van Gerard Vlasveld wel gebeurde. Vermoedelijk heeft Hendrik toen uit onmin over deze situatie in zijn bol gekregen om zijn eigen spoor te trekken. Een week na zijn 22e verjaardag vertrok hij met het stoomschip Koningin Regentes naar Indië om in dienst van de Deli Maatschappij opzichter (assistent) op een tabaksplantage te worden.

Hendrik Kruijff belandde op Sumatra in een maatschappij die in alle opzichten afweek van de gesloten confessionele wereld van Sassenheim. Toen in de jaren zestig van de 19e eeuw ontdekt werd dat de gronden bij de Delirivier uitermate geschikt waren voor de teelt van excellente tabak ten behoeve van de sigarenindustrie, ging al snel de hoop in rook op dat de inheemse bevolking bereid was op plantages te werken, en zoveel Batakkers waren er nou ook niet. Immigratie van contractarbeiders, koelies genoemd, zou het arbeidsprobleem gaan oplossen. Aanvankelijk vooral Chinezen uit Hongkong en omstreken, later ook Javanen. In het begin van de 20e eeuw was ongeveer driekwart van de koelies Chinees. Een handjevol Europeanen moest alles in goede banen leiden en de tienduizenden veldarbeiders tot hoge productie aanzetten. Dat ging met harde hand: de witgehelmde en -geklede assistenten dachten dat alleen met tucht te kunnen bewerkstelligen. Na de Deli Maatschappij waren tal van ‘cultuurondernemingen’ in het gebied neergestreken, ook niet Nederlandse, zoals Duitse en Engelse. Er werd betaald met Maleise Strait dollars (de gulden werd pas in 1908 ingevoerd), plantages werden aangeduid als ‘estates’. Het was een mannenmaatschappij, want de ondernemingen verboden pas aangekomen assistenten te trouwen voordat ze er acht dienstjaren op hadden zitten. Die maatregel zou pas in 1918 afgeschaft worden. Op de schaarse vrije dagen lieten die mannen zich vollopen in een van de uitspanningen in de tot stad uitgroeiende plaats Medan, zoals in Hotel De Boer, hun seksuele frustraties en eenzaamheid weglachend met scabreuze grappen.

Het was ook een harde wereld, waar snel rijk worden tot de mogelijkheden behoorde, maar waar je ook snel ontslagen kon worden. En het was een gewelddadige wereld. De opzichters op de plantages liepen met zwepen rond en misdroegen zich vaak tegenover hun ondergeschikten, terwijl de andere kant van de medaille was dat bij de koelies soms ook de vlam in de pan kon slaan en gewelddadig verzet kon ontstaan, meestal als ze voelden dat ze in hun eer waren aangetast. De Planter, het orgaan van de vakvereniging van assistenten in Deli, had in 1924 alle incidenten die er in de twaalf jaar daarvoor hadden plaatsgevonden bij elkaar opgeteld en kwam tot 355 ‘aanslagen’, waarbij zeventien Europeanen het niet hadden kunnen navertellen. Je moest dus met tact omgaan met de werkers, een band smeden met de onderopzichters, de Chinese tandils en de Javaanse mandoers, en vooral de mensen in hun waarde laten. Lukte dat, dan was er kans op promotie tot administrateur, bedrijfsleider van de ‘estate’. Dan was je de grote baas die verantwoordelijk was voor een zo groot mogelijke productie, maar ook voor het welzijn van het werkvolk. Hendrik Kruijff werd zo’n toean besar, hetgeen aangeeft dat zijn baas, de hoofdadministrateur van de Deli Maatschappij in Medan, tevreden over hem was. Hij misdroeg zich dus niet jegens het werkvolk, want dat kon leiden totrampokken en die geweldsuitbarstingen brachten de productie en daarmee de winstcijfers van de onderneming in gevaar. De assistenten werden geregeld beoordeeld door de hoofdadministrateur. Er zijn er enkele van deze beoordlingen bewaard in het archief van de Deli Maatschappij, en daaruit blijkt dat gelet werd op tact.

Tijdens de eerste tien jaar dat Hendrik Kruijff ‘tabakker’ was, veranderde er wel iets aan de behandeling van de ondergeschikte koelies. In de koloniale verhoudingen deed de ethische politiek zijn intree, waardoor er op gebied van hygiëne, gezondheidszorg en onderwijs het nodige verbeterde. Op Deli kwam een arbeidsinspectie, waardoor de ergste misstanden in de behandeling van koelies werd tegengegaan. Wat bleef was de ‘poenale sanctie’, het feit dat weglopen of werkweigering van een orang kontrakgezien werd als een misdrijf, waarop gevangenisstraf stond. Maar nu greep de justitie in en speelde de administrateur niet meer voor eigen rechter.

In 1912 kondigde Hendrik in zowel Indische als Nederlandse kranten per advertentie aan dat hij verloofd was met Catharina Augusta Weblus uit Berlijn, die Käthe werd genoemd, zoals uit latere familieannonces blijkt. Zij was een dochter van de kunstschilder Martin Weblus, die in 1899 op 44-jarige leeftijd was overleden. De kunstenaarslexicon van Thieme-Becker vermeldt dat hij zijn opleiding heeft gehad op de Berlijnse Akademie en dat hij wandschilderingen gemaakt heeft in Schloss Itter in Tirol. Die decoraties hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog misschien het lot iets verlicht van Franse politici die in dit kasteel gevangen waren gezet.

Het is aannemelijk dat ze elkaar schriftelijk hebben leren kennen en dat het contact gelegd is via een Duitse collega van Hendrik. Hij werkte tijdens zijn verloving niet meer in de niet ver van Medan gelegen plantage Mariëndal, een plantage die overigens nog steeds bestaat, al wordt er nu cacao verbouwd. Het huwelijk is volgens de familieoverlevering met de handschoen voltrokken.

In 1915 werd hun eerste kind geboren, een zoontje dat naar de vader van zijn moeder Martin werd genoemd. Deze zag niet het levenslicht op Mariëndal, maar op Loeboe Dalam, een van de grootste plantages van de Deli Maatschappij, gelegen in het kustgebied ten zuiden van Tandjong Poera. Deze plantage beschikte ook over een eigen ziekenhuis en zo’n voorziening hadden maar vier van de circa dertig plantages van de Deli Maatschappij.

Twee jaar later werd Jaap geboren, zoals vermeld op plantage Ludwigsburg. Hij werd vernoemd naar zijn Sassenheimse grootvader, zij het met een kleine variatie: Jacob Johannes werd Jakob Johan. Dat vader Hendrik nu op deze plantage werkte, wekt bevreemding. Deze plantage is namelijk nooit in bezit geweest van de Deli Maatschappij. De stichter ervan had de zaak in 1894 verkocht aan de in Amsterdam gevestigde Langkat Tabak-maatschappij, maar deze was in 1912 in moeilijkheden gekomen. Een verkoop aan de Deli Maatschappij was echter door aandeelhouders via de rechter tegengehouden en tot overmaat van ramp was de directeur in 1914 in de cel beland omdat hij gespeculeerd had met aandelen van de president-commissaris, hetgeen aan het licht was gekomen toen de laatste plotseling was gestorven. Het lijkt aannemelijk dat in dat machtsvacuüm Hendrik Kruijff naar die plantage werd gestuurd, in de verwachting dat deze onderdeel van de Deli Maatschappij zou worden. Dat zou echter niet gebeuren: de Handels Vereeniging Amsterdam, die pas ten tijde van de Eerste Wereldoorlog haar oog op Deli had laten vallen toen de koek er zo goed als op was, zou er met de buit vandoor gaan. De tabak bleek daar slecht te renderen en pas toen overgestapt was op rubberbomen (hevea) braken betere tijden aan, hetgeen te maken zal hebben met de elasticiteit van de vraag. Tegenwoordig wordt er palmolie geproduceerd.

Lang zou het gezin Kruijff niet in deze uithoek in Boven-Langkat vertoeven. Memorabel is wel het door Jaap aan zijn vrouw vertelde verhaal dat zijn moeder haar kinderen wist te redden door een agressieve tijger dood te schieten. Dat moet hier gebeurd zijn. Was het kustgebied grotendeels ontbost, in Boven-Langkat lag tegen het aangrenzende gebergte nog oerbos. DeNRC meldde in 1928 dat het er wemelde van de tijgers.

Uit de personeelslijsten in het archief van de Deli Maatschappij blijkt dat Hendrik Kruijff in november 1917 werd bevorderd tot administrateur van Loeboe Dalam. De personeelswisselingen vonden in november plaats, omdat dan de ‘veldtijd’ begon, na afloop van de korter durende ‘schuurtijd’, waarin de tabak gedroogd en gefermenteerd werd. Op deze plantage heeft Jaap dus een deel van zijn jeugd doorgebracht. En hier moet zijn fascinatie voor de natuur ontstaan zijn. Op foto’s, bewaard in het Nationaal Archief en in het Koninklijk Instituut voor de Tropen, is met name de kronkelende brede rivier de Wampoe indrukwekkend, waar men de woudreuzen aan de oevers had laten staan. Voor een deel vormde die rivier de grens met de hoger gelegen plantage Ludwigsburg: beide lagen in het noordelijk deel van het Deligebied en vielen onder het sultanaat Langkat. “Landschap van stilte en harmonie”, zijn bron van inspiratie, zoals hij later in de film tegen Ton Lansink zou zeggen inspireerde, was hier vol op aanwezig. Aannemelijk is, dat hij later als kunstenaar op zoek was naar dezelfde emoties die hij als kind reeds beleefde in de rijke natuur van Langkat.

Jaaps Indische jaren werden onderbroken door een verblijf in Nederland. In 1920 ging Hendrik Kruijff met zijn gezin met het stoomschip Oranje voor groot verlof naar het vaderland. Ze kwamen op 3 mei aan in Amsterdam. Bij Hendriks jongere broer Cornelis, commies bij de Rijksverzekeringsbank, konden ze niet logeren, want deze was – kinderloos – klein behuisd. Ze huurden een bovenetage in de Johannes Verhulststraat achter het Concertgebouw en daar werd op 26 november 1920 Jaaps zusje geboren, die naar haar moeder – zij het met omdraaiing van de voornamen – Augusta Catharina werd genoemd. Vader Hendrik was bijna twintig jaar niet terug in Nederland geweest. Een lange periode, want men had na acht jaar recht op verlof, zij het dat de reis duur was en men dan half salaris kreeg. Kennelijk verkoos hij uit spaarzin zijn verlof uit te stellen, en zorgde zijn huwelijk en de twee kinderen die al snel kwamen voor verder uitstel. Daardoor heeft hij zijn ouders niet meer kunnen zien, die in 1919 niet lang na elkaar waren overleden.

Begin januari 1921 werd met het stoomschip J.P. Coen de terugtocht aanvaard. Vader Hendrik keerde terug als administrateur van de plantage Loeboe Dalam. Hij kreeg er te maken met het doorvoeren van bezuinigingen, want de Duitse markt was ingestort omdat de koers van de mark naar beneden vloog en dat beïnvloedde de winstcijfers van de Deli Maatschappij. Bovendien stegen de kosten. De miljoenen uit Deli kwamen minder vanzelfsprekend binnen dan ervoor. Dat beïnvloedde ook de hoogte van het salaris, want de bonus die een administrateur aan het eind van het jaar ontving, was gerelateerd aan de winstcijfers. De gouden jaren leken voorbij, en dat zal een rol gespeeld hebben in het besluit een paar jaar later om naar Europa terug te keren.

Op 24 oktober 1924 om half zeven ‘s avonds vond, blijkens advertenties in de Deli Courant, een veiling – vendutie noemde men dat – plaats ‘ten huize van de WelEdelen Heer H. Kruyff (…) van ZEd. zeer goed onderhouden inboedel. Verder twee goedloopende Batakpaarden met buggy en bandy, beide geheel compleet’. Twee dagen later vertrok het gezin, opnieuw met het stoomschip J.P. Coen. Jaap was dus zeven jaar en drie maanden toen zijn Indische jeugd voorbij was. Bij de reis naar Amsterdam werd, nadat via het Suezkanaal de Middellandse Zee was bereikt, Genua aangedaan. Daar stapten de mensen die het konden betalen aan wal om gerieflijker per trein naar patria te reizen, want men zag op tegen de stormen in de Golf van Biskaje. Ook het gezin Kruijff ontscheepte in Genua, maar ging in plaats van naar Amsterdam naar het Zwitserse Lugano. Een schitterend gelegen stad in het Italiaans sprekende kanton Ticino.

Daar moet het gezin zo’n drie jaar gezeten hebben en daar moet hij onder de indruk gekomen zijn van het natuurschoon van de Alpen. Op latere leeftijd zou hij met caravan jaarlijks naar de Italiaanse Alpen trekken. Voor oud-Indisch gasten was Lugano een geliefde pleisterplaats als tussenstation op weg naar Nederland. Schilderes Charlotte Kruijmel bijvoorbeeld, die in de kunstenaarslexicon van Jacobs vermeld wordt op dezelfde pagina als Jaap, was in 1922 geboren op de tabaksplantage van de Deli Maatschappij Poengei, grenzend aan Loeboe Dalam; zij belandde met haar ouders ook in Lugano. Op Sumatra had Jaap op een schooltje leren lezen en schrijven. Maar vanwege de omgang met leeftijdgenoten – en met zijn baboe vermoedelijk – sprak hij nauwelijks, of althans slecht Nederlands. De schrijver Eddy du Perron vertelt over zijn Indische jeugd in Het land van herkomst dat hij op zijn zevende nauwelijks Nederlands sprak. Dat kwam dus meer voor. Jaap heeft later aan zijn vrouw verteld dat hij op een hardhandige manier Nederlands heeft geleerd: hij kreeg slaag van zijn vader als hij Maleise woorden gebruikte.

Na een paar jaar in Lugano zal het spaargeld wel geslonken zijn. Vader Kruijff wilde een kwekerij in Nice beginnen, maar zijn vrouw wilde naar haar geboortestad Berlijn. Zij wist haar zin door te drijven. Het gezin vestigde zich in de omgeving van Berlijn, waar de vader een orchideeënkwekerij op poten zette. Jaaps vormingsjaren zouden zich dus in Duitsland gaan afspelen. Een Duitse zegwijze om een wispelturige inborst aan te geven luidt Krauses Haar, krauser Sinn, en in het Middelnederlands betekende gekruifd haar gekruld haar. Vader Hendrik Kruijff lijkt zijn familienaam eer aangedaan te hebben. In 1926 nog zag hij zijn toekomst in Nederland, want toen huurde hij een lap grond van 100 hectare in Hilversum. Zijn daar woonachtige zwager werd toen ingeschakeld om de grond te huren van Stad en Lande van Gooiland, de beheerder van de van ouds bestaande meent of gemeenschapsgrond. Het ging om verlenging van de huur voor nog eens vijf jaar, hetgeen aangeeft dat hij tijdens zijn verlof zijn oog op Hilversum heeft laten vallen. De huur was maar ƒ125,- per jaar, dus dat moet wel heide zijn geweest. Hij zal wel plannen hebben gehad om daar een kwekerij te beginnen. Maar het werd geen Hilversum en ook geen Nice, maar het politiek gezien woelige Duitsland, dat al snel door een bruine deken werd overdekt.

Jaap werd nu onderworpen aan het rigide Pruisische schoolsysteem. Hij volgde gymnasiaal onderwijs, waarin het schooljaar met Pasen begon. Na zijn examen wilde hij naar de kunstacademie, maar daar zagen zijn ouders niets in. Hij moest opgeleid worden in een vak waarmee geld viel te verdienen. De keuze viel op de universitaire studie chemie. Tijdens deze studie brak de Tweede Wereldoorlog uit, en het gruwzame politieke klimaat werd nog meer verstikkend. In 1943 schreef hij zich in bij de Hochschule für bildende Künste in Berlijn-Charlottenburg. Het gebouw staat er nog en de instelling mag zich sinds 2001 Universität der Künste noemen.

Direct na de machtsovername waren de Nazi’s begonnen de Duitse onderwijsinstellingen te nazificeren. Nationaal-socialisten hadden de plaats ingenomen van “verdachte” docenten. Van de nieuwe leraren werd verwacht dat zij hun onderwijs stelden in dienst van Volk und Reich. Het Volk moest zich herkennen in de Nieuwe Kunst. Zo werden ook de chemieopleiding en de kunstopleiding in Berlijn “gezuiverd” en genazificeerd.

Jaap Kruijff heeft op beide instellingen lessen gevolgd. Van zijn aanwezigheid daar vonden wij in de archieven geen sporen. Dat laatste was wel het geval in Dresden waar hij zich 1 april 1944 inschreef als student schilderen en tekenen. Onder de in Dresden aangetroffen stukken bevindt zich onder andere ook een door Jakob Johann Kruijff ingevulde, voorgedrukte vragenlijst. Hij gaf op, in het cursusjaar 1938/1939 drie semesters chemie te hebben gestudeerd in Berlijn, waarna hij bij zijn vader was gaan werken in diens orchideeën kwekerij in Babelsberg (bij Berlijn). In 1943 was hij toegelaten tot de Kunsthochschule in Berlijn (‘nachdem ich schon mehreren Semester als Abendschüler tätig war’). Daar dit instituut in januari 1944 gesloten werd, vroeg hij op 1 april van dat jaar om toelating tot de kunstacademie in Dresden. Het vragenformulier laat het niet bij informatie over vooropleiding, diploma’s etc. De directie wilde ook weten wat voor geloof de aanstaande student had. ‘Evangelisch’ gaf Jaap op. Dat was nog een reeds lang gebruikelijke vraag. Maar daarna kwamen de sinds 1933 toegevoegde vragen: Arisch/Nicht Arisch (durch Urkunden nach zu weisen bis zu den Grosseltern)? ‘Arisch’ vulde Jaap in. Als antwoord op de vraag: Mitglied der NSDAP, Hitler Jugend, Sturm Abteilung, Schutz Staffeln, NSKK? werd een streep gezet. Pas bij de allerlaatste kon Jaap weer wat invullen. Mitglied sonstiger Organisation? ‘Ja’, hij was lid van de ‘Reichsbund für Leibesübung’. Atletisch prestaties van Jaap van toen noch later zijn ons overigens niet bekend.

Toen Jaap op 17 juli 1944 vanuit Dresden een bezoek bracht aan zijn ouders in Berlijn ontmoette hij daar enkele van zijn vroegere studiegenoten aan de Kunsthochschule in die stad, die hem ‘von der Schönheit des Schlesischen Landschaft und der herrlichen Lage der Ausweichstelle erzählten und mich restlos zu begeisteren wussten’. Hij schreef dit aan zijn oud-docent Carl Walther (1880-1954) in Dresden. Hierin legt hij uit waarom hij niet meer terugkwam naar Dresden: ‘Ich entschloss mich das mir liebgewordene Dresden und seine schöne Akademie mit eine RAD [Reichsarbeitsdienst] Baracke in Schlesien zu vertauschen. Meine Entschluss bereue ich nicht denn hier in diese Einsamkeit fern von alle Grosstadt Getriebe ist mir eher die Möglichkeit einer Entwicklung gegeben’. Hij verontschuldigt zich uitvoerig tegenover Walther, de hoop uitsprekend dat deze een goede indruk zal bewaren van zijn leerling. (‘In Dankbarkeit zeichne ich Ihr Schüler, J. Kruijff’). Walther zal, voordat hij dit las, naar de naam en het adres van de afzender van de brief op de enveloppe hebben gekeken: ‘Jakob Kruijff RAD Lager, Luisenhöhe/Primkenau/Niederschlesien’.

Dààr doelden zijn vrienden blijkbaar op, op die mooie plek bij Primkenau, het huidige Przemków, zo’n 90 kilometer ten oosten van de Neisze en zo’n 200 kilometer ten noordoosten van Dresden. Dat was de Ausweichstelle waar zo goed getekend kon worden. Maar zij en Jaap gingen daar niet vrijwillig heen, zij hadden zich daar op bevel van de autoriteiten moeten melden bij de Reichsarbeitsdienst. Alle studenten moesten zich in het Derde Rijk vroeg of laat melden bij die dienst: eerst alleen tijdens de zomervakantie, daarna steeds meer uren in de week om ten slotte ingelijfd te worden in de Wehrmacht. Walther, die in 1941 aangesteld was als Vertragslehrer für künstlerische Graphik, wist hier uiteraard van, zoals de studenten en Jaap daarvan afwisten. Maar onder elkaar spraken zij van een ‘herrliche Ausweichstelle’. Zo verhullend zullen zij ook wel gesproken hebben over het nieuws dat de geallieerden op 6 juni van dat jaar geland waren in Normandië. Maar daar sprak men niet al te luid over en men schreef er al zeker niet over. Ondertussen hoopte men dat de Silezische bossen een goede plek zouden zijn om het einde van de oorlog af te wachten. In het archief van de Kunsthochschule Dresden staan veel aanwijzingen dat de studenten allerlei baantjes aangrepen om maar te ontkomen aan de militaire dienst: sommige ruimden puin, andere verpleegden gewonden maar uiteindelijk kwam die oproep voor permanente arbeidsdienst en vervolgens voor de Wehrmacht.

Jaap kon ondertussen nog een half jaar genieten van “de rust” in Primkenau; de winter viel overigens wel snel in dat jaar en de komst van de gestaag oprukkende geallieerden liet nog op zich wachten. Begin 1945 werd Jaap waarschijnlijk overgeplaatst naar een onderdeel van de Wehrmacht. Zelf vertelde hij later wel eens dat hij zo in Italië was terecht gekomen. Tekeningen die hij toen maakte zijn niet bewaard gebleven, evenmin als het in Dresden gemaakte werk. In zijn afscheidsbrief aan zijn Dresdense docent spreekt hij zijn dank uit voor wat hij van hem leerde, Walther ging hem voor in de keuze van landschappelijke onderwerpen: ‘Ich sehe das Gute Ihres Bemühens ein und werde mich stets danach richten’. Toen de Russen Dresden innamen denazificeerden zij de academie. Eén van de weinige docenten die mocht blijven, was Walther. Hij heeft daar nog tot 1948 les gegeven.

Jaap vluchtte weg uit het door de Russen bezette gebied. Over de periode tussen begin 1945 en de vlucht naar het Westen is in archieven niets te vinden. Later sprak hij wel eens over die tijd tegen goede vrienden: het moet een verschrikkelijke tocht geweest zijn in een samenleving in ontbinding. Uiteindelijk kwam hij kort na de capitulatie van het Derde Rijk terecht in Lübeck. Daar trouwde hij op 11 juli, op zevenentwintigjarige leeftijd met Charlotte Maria (Nanni)Axhausen, dochter van een Berlijnse arts. Zijn broer verdween in Russische gevangenschap. Van hem werd nooit meer iets vernomen. In Amsterdam, later in Friesland en ten slotte vooral (weer?) in Italië zou hij de ‘herrliche Lage, die Ausweichstelle’ vinden, die hij ten tijde van het Derde Rijk gezocht had. Het echtpaar verhuisde al snel naar Hamburg, waarvan het centrum net als dat van Lübeck in puin lag, maar dat als grote stad meer te bieden had. Jaap wilde zo snel mogelijk naar Nederland en dat lukte in mei 1948. Na ruim drie maanden in Leiden gebivakkeerd te hebben, werd met beide handen de mogelijkheid aangegrepen om naar Amsterdam te verhuizen. Het paar belandde op een bovenwoning op het Westeinde bij het Frederiksplein. Daar vlakbij woonde op het Oosteinde kunstenaar Joop Willems. Ze raakten met elkaar bevriend en eind november 1950 verhuisden ze – een dag na elkaar – naar een voormalig scholencomplex op Wittenburg.

Dat complex was nog niet zolang daarvoor een domein voor kunstenaars geworden. ‘Naar ik mocht vernemen’ – schreef wethouder Kunstzaken A. de Roos (PvdA) op 3 november 1948 in de hoedanigheid van wethouder Onderwijs – ‘is de kans niet uitgesloten, dat er enige atelierruimte beschikbaar kan worden gesteld aan beeldende kunstenaars in gebouwen, welke bij de afdeling Onderwijs in gebruik zijn.’ Er volgde een lijstje van vijf kunstenaars ‘die hiervoor het meest in aanmerking komen, omdat zij óf een gemeentelijke opdracht hebben, welke in de gegeven omstandigheden niet naar behoren kan worden uitgevoerd, óf onder dergelijke arbeidsvoorwaarden leven en werken dat zij geen opdrachten kunnen aanvaarden en in hun productiviteit worden belemmerd.’ De keus viel op de voormalige Tjerk Hiddesschool aan de Derde Wittenburgerdwarsstraat bij de Kattenburgervaart. Die was gebouwd in 1889 in de toen zeer dichtbevolkte buurt, met grote lokalen omdat er 40 à 50 kinderen in moesten passen. De in 1943 vermoorde schrijver A.M. de Jong, schepper van Merijntje Gijsen, is nog onderwijzer geweest op deze school. Toen de school te klein was geworden, is er in 1913 nog een tweede school aan vast gebouwd, de eveneens naar een vlootvoogd uit de zeventiende eeuw vernoemde (Philips van) Almondeschool. In de adreskaarten van de gemeentelijke administratie werd het onderscheid tussen beide, inmiddels als openbare lagere scholen opgeheven gebouwen,wel aangehouden, maar in de correspondentie van de afdeling Kunstzaken had men het voor het gemak alleen over de voormalige Tjerk Hiddesschool, Derde Wittenburgerdwarsstraat 1-3, terwijl het adres officieel nummer 3 betrof. Joop Willems kreeg een ruimte op nummer 1, in de voormalige Almondeschool waarvan de benedenverdieping verhuurd was aan een aardappelhandel. En Jaap Kruijff kwam in de het gebouw ernaast, op de bovenverdieping. Beiden gingen er ook met hun vrouw wonen, hetgeen nu niet direct de bedoeling was geweest van de wethouder, die bepaald had dat het te huren lokaal ‘uitsluitend voor atelierruimte wordt gebruikt’. Maar moeilijk werd er niet over gedaan.

Wethouder De Roos had er vaart achter gezet. Nadat kapotte ruiten waren hersteld hadden in februari 1949 de eerste kunstenaars erin kunnen trekken. De selectie van de kunstenaars was gedaan door commies D.A.M. Binnendijk, een literator die door De Roos als hoofd van de afdeling Kunstzaken was binnengehaald. Tot de eersten behoorde Cor Hund, een schilder/tekenaar die zich omgevormd had tot beeldhouwer, die een lokaal op de begane grond kreeg vanwege het gesjouw met zijn materiaal. Hij had net in 1947 de Prix de Rome gekregen. Collega-beeldhouwers Nel Klaassen en haar echtgenoot Jaap Bouhuys, die deze eer al in 1932 hadden ontvangen, kregen een lokaal ernaast. Schilder Teun Pluymers, die vlak bij Jaap had gewoond en die vermoedelijk geen onbekende van hem was, kwam op de bovenverdieping naast Jaap. Er waren nog enkele lokalen verhuurd aan het katholiek Jeugdwerk (van de H. Anna), en daarmee moest water en licht worden verrekend. Die katholieke jongeren zouden al snel de deur worden gewezen, omdat aan ateliers een groot gebrek was. De huur was bescheiden gehouden: ƒ300,- per jaar, in zes termijnen te betalen. Een maand nadat de eerste kunstenaars hun tenten daar hadden opgeslagen, betrok beeldhouwer Jan Meefout daar ook een atelier. Hij was ook met een Berlijnse getrouwd, de beeldhouwster Irmgard Stahl, dus dat zal een band hebben geschapen. Zij was meer van de fijnere plastiek en had een atelier op de bovenverdieping, terwijl hij met zijn sculpturen van gedrongen vrouwenfiguren op de begane grond bezig was. Een ideale situatie: Irmgard was altijd boven Jan.

Joop Willems (1915-1986), Cor Hund (1915-2008) en Jan Meefout (1915-1993) zouden hun ateliers op Wittenburg trouw blijven. Iets later zou daar beeldhouwer/tekenaar Arie Teeuwisse (1919-1993) bijkomen. Men hen zou Jaap een sterke band krijgen. De meeste kunstenaars maakten echter slechts tijdelijk van de ateliers op Wittenburg gebruik. Zo vertrokken Nel Klaassen en Jaap Bouhuys eind 1952 naar Zandvoort. Ook Jaap vertrok in het najaar van 1952, maar hij zou drie–en-een-half jaar later terugkeren.

In Hilversum waren zijn ouders neergestreken, nadat hun orchideeënkwekerij door de DDR als Volkseigene Betrieb was genaast. Ze hadden een kast van een huis betrokken op de Soestdijkerstraatweg (nummer 80), waar ruimte genoeg was voor het jonge gezin, want in september was een zoon geboren, Jacob Hendrik Matthijs (Thijs). Twee jaar erna zou nog een zoon worden geboren, de later verongelukte Nicolaas. In dat huis waren Jaaps ouders een pension begonnen voor gerepatrieerden uit ‘de Oost’, dat Huize De Brem was gedoopt. Jaap heeft er nog veel energie in gestoken om de zaak voor dat doel te verbouwen. Het was een moeilijke periode om opdrachten te verkrijgen. Veel verder dan wat reclameopdrachten voor van Nelle kwam hij niet en het leiden van modeltekenclubjes was ook niet erg bevredigend. Op advies van Dignus Lammers, die later docent aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten zou worden, is hij toen in Amsterdam de opleiding tot tekenleraar gaan volgen bij het instituut dat destijds gevestigd was in de tuin van het Rijksmuseum en dat later op zou gaan in de Rietveldacademie. In juli 1956 rondde hij deze opleiding af. Hij woonde toen al weer een paar maanden in het atelier op Wittenburg, want zijn niet al te beste huwelijk was op de klippen gelopen. Vrouw en kinderen bleven in Hilversum en zij zou na het overlijden van de schoonouders als directrice het tot bejaardenoord omgebouwde pension De Brem leiden en in 2001 op 83-jarige leeftijd te Laren overlijden.

Jaap ging lesgeven in tekenen en handvaardigheid, eerst aan een ULO-school en daarna aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, nadat hij in korte tijd zijn MO-B acte had behaald. Inmiddels was hij eind 1958 met Lisa Hinderkien (Lisa) Gehrels hertrouwd, advocate en dochter van de bevlogen stichter van de Amsterdamse Volksmuziekschool. Een huwelijk dat wèl gelukkig zou zijn. Na een paar maanden bij haar ingetrokken te zijn, verkozen ze om naar Wittenburg te verkassen.

Jaap zou met plezier zo’n twintig jaar lesgeven. Met een voorliefde voor lithografie, waarvoor hij al in zijn Berlijnse tijd een passie had ontwikkeld. Een passie die aansloot bij zijn studie chemie, want bij het lithograferen komen chemische processen om de hoek kijken.

Aan het leraarschap kwam een eind, toen hij een hernia opliep bij het verslepen van een drukpers. Hij werd toen verleid om onderdirecteur te worden, maar de verantwoordelijkheid die hij daarmee op zijn schouders nam, deed zijn hernia geen goed: in een paar jaar tijds moest hij drie maal plat. Op huisartsadvies moest hij daarna met het onderwijs stoppen. De keerzijde van de medaille was, dat hij nu het vrije kunstenaarschap kon omarmen. Er volgde een enorme productie.

Het eiland Wittenburg begon in deze periode enorm te veranderen. Het was, toen Jaap er in 1950 kwam, een dichtbevolkte, verpauperde volksbuurt met een eigen karakter. Breed had niemand het, de solidariteit onderling was groot. Bewoners van de Derde Wittenburgerdwarsstraat – ‘het Lange End’ – voelden zich beter dan die van de Tweede Wittenburgerdwarsstraat – ‘het Dijkie’ – en andersom, maar knokpartijen die daaruit voortvloeiden liepen altijd met een sisser af: het moest gezellig blijven. Dat ging veranderen toen besloten werd om de buurt te saneren. Daartoe werd al begin jaren vijftig het initiatief genomen, maar het zou tot eind jaren tachtig duren voordat het voltooid was. Toen was bijna alle oudbouw vervangen door veel ruimere en gerieflijker nieuwbouw. Voor veel bewoners was echter geen plaats meer en het karakter van de buurt was weg.

Het scholencomplex met ateliers werd echter niet gesloopt. Wel het pand ernaast, waar Nol Kneulman woonde, de broer van de beeldhouwer Carel, die bekend is van zijn verzetsmonument op de Plantage Middenlaan en van Het Lieverdje. Nol Kneulman had zich opgeworpen als manusje van alles voor de kunstenaars naast hem. En via hen ook voor andere kunstenaars, zoals de beeldhouwster Charlotte van Pallandt. Zo maakte hij frames voor beeldhouwers die met klei werkten en voorzag hen en andere kunstenaars van materiaal. Ook de zware lithostenen waarmee Jaap werkte, werden door Nol geleverd in een aftandse maar indrukwekkende chevrolet met open dak. De kinderen op Wittenburg stonden met open mond naar zo’n Amerikaanse slee te kijken. Hij hoorde er helemaal bij, bij het vriendenclubje van Jaap, Cor Hund, Arie Teeuwisse, Jan Meefout en enkele andere collega’s. In de jaren zestig had beeldhouwster Julia van Verschuer er een atelier en zij leerde er haar echtgenoot Erik Thorn Leeson kennen, grafisch ontwerper, die voor cacaofabrikant Van Houten te Weesp veel ontwierp. Op z’n Amsterdams noemden de ateliergenoten Kruijff ‘Japie’, herinnert ze zich.

Terwijl het op Wittenburg steeds stiller werd en er steeds meer huizen dichtgetimmerd werden op wacht van de sloop, zoals het huizenblok verderop in de straat waarin schilder/tekenaar/aquarellist Melle (Oldeboerrigter) zijn jeugd had doorgebracht, bruiste het op de uithoek van het eiland juist van activiteit. Het pand kreeg steeds meer het karakter van een creatief centrum, waaraan bijdroeg dat (inter-)nationaal bekende grootheden er hun tenten opsloegen. Constant ((Nieuwenhuis) betrok er in 1964 een atelier; hij zou er tot zijn overlijden in 2005 werken en wonen. En choreograaf Koert Stuyf, protagonist van de moderne dans, vestigde er zijn studio.

Jaap Kruijff werkte ‘met onverklaarbare drift’ stug verder. Bescheiden als hij was, deed hij weinig moeite om werk van hem geëxposeerd te krijgen. In 1970 deed hij mee aan een groepsexpositie van Arti et Amicitiae, daarna werd werk van hem tentoongesteld in verschillende galeries: in Amersfoort, Eck en Wiel, Eindhoven en Hilversum. In de jaren tachtig van de 20eeeuw deed hij het meest van zich spreken. In 1983 verscheen het door hem en zijn leerling Robert Klatser geschrevenEtstechnieken. De kunst van het doen, uitgegeven door Van Dobbenburgh. Het boek zou ook vertaald worden in het Engels en Duits (Etching Techniques, uitgegeven door Longman Trade/ Caroline House in 1985 en Radiertechniken, NIWA Verlag, Goch, 1998). In 1985 exposeerde hij in Museum Flehite te Amersfoort en verzorgde hij de illustraties bij de bibliofiele uitgave vanGilgamesj, de elfde zang: De zondvloed en het levenskruid (vertaald uit het Soemerisch door F.M. de Liagre Böhl en J.H. Hospers). Dat werd uitgegeven door Stichting De Roos, die in 1945 was opgericht door Chris Leeflang, een bevlogen boekverkoper uit Utrecht en decennialang animator van de jaarlijkse Boekenweek en van de bekroning van best verzorgde boeken. In dezelfde exclusieve reeks – met oplage van 175 exemplaren – illustreerde hij in 1987 Indian Summer van John Galsworthy, een fragment uit diens Forsythe Saga. En in 1989 verzorgde Jaap de illustraties van de Bomenfietsroute door Amersfoort, uitgegeven door de plaatselijke VVV, waarin hij zijn fascinatie voor bomen kon uitleven.

Op 5 december 1991 kondigde de Larense Courant De Bel de opening aan van een expositie van ‘tekeningen en litho’s van de bekende graficus Jaap Kruijff’ in het Rosa Spierhuis. In dit in 1969 geopende tehuis, gesticht door harpiste Rosa Spier en schilderes Henriëtte Polak-Schwartz, toevluchtsoord voor oudere kunstenaars en intellectuelen, vond Jaaps laatste expositie plaats.

De laatste jaren van zijn leven – vanaf 1998 – werd hij verpleegd in De Wittenberg, een voormalig Luthers Oude mannen- en Vrouwenhuis uit de 18e eeuw op hoek van de Nieuwe Keizersgracht en de Roetersstraat. Hij overleed er op 28 december 2001 op 84-jarige leeftijd. In de rouwadvertentie schreef Lisa Kruijff-Gehrels, mede namens Thijs Kruijff: ‘Na moeilijke, maar niet zinloze jaren kwam aan het leven van mijn lieve Jaap, eens mijn rots in de branding, toch nog onverwacht snel een einde’. De crematie vond -4 januari 2002 plaats in Driehuis-Westerveld.

Dit bericht is geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *