Wittenburg en zijn eilandbewoners

Jan Teeuwisse:

‘Wittenburg en zijn eilandbewoners.’

Jaap Kruijff behoorde tot de kunstenaars die werkten én woonden op Wittenburg, samen met zijn vrouw Lisa Gehrels ergens op een van de bovenverdiepingen in de linkervleugel van het ateliercomplex op het eiland.

Met de kennis van nu zou dit ateliercomplex aangeduid worden met ‘broedplaats’. Maar gelukkig waren de jonge Amsterdamse kunstenaars die, enkele jaren na de Bevrijding, de boorden van hun stad opzochten op zoek naar werkruimte, nog gevrijwaard van deze modieuze term. Zo heel veel kunstenaars telde Amsterdam sowieso niet in die jaren en zij die wel zo gek waren, zochten hun eigen weg, niet gehinderd door de kunstambtenaren en andere regelgevers van de creativiteit die later tevoorschijn zijn gekomen. Echte atelierwoningen kende Amsterdam alleen in de Rivierenbuurt waar sinds 1934 de toenmalige voorhoede van de Nederlandse kunstwereld de Zomerdijkstraat bevolkte. Maar voor de twintigers die van de academie afkwamen en gedurende de oorlogsjaren in de wachtkamer hadden gezeten, was er vrijwel niets beschikbaar. Aan het einde van de doodlopende Derde Wittenburgerdwarsstraat stond een martiaal schoolgebouw dat in stilistisch opzicht het midden hield tussen Cuypers en de Amsterdamse School en zich hovaardig van de straat had afgekeerd. Een monumentale poort bood toegang tot een grote, geplaveide, vrijwel boomloze binnenplaats die aan twee zijden werd omsloten door het L-vormige schoolgebouw dat de kades van het achterliggende water volgde. De open rechterzijde van de cour werd afgesloten door de lage bebouwing van aardappelloodsen en de woonhuizen van de aardappelfamilie daarboven. Recht tegenover de poort stond het 19e-eeuwse fabrieksgebouw van de grafische industrie Proost & Brandt.

Wittenburg is het middelste van de drie Oostelijke Eilanden van Amsterdam, opgetrokken uit de klei ten behoeve van de oudste multinational ter wereld, de VOC, en sinds de vroege 17e eeuw tot op het bot vergiftigd dankzij deze industriële bestemming. Rond 1950 waren dit nog steeds de eilanden waar gepensioneerde schippers voor de deur zaten te keuvelen en kinderen van bootwerkers de straten onveilig maakten. Het gemeentelijke gebouw dat in de naoorlogse jaren ten dele aan de jonge kunstenaars ter beschikking werd gesteld – de vleugel rechts van de hoofdingang – , was zeker nog tot ca. 1960 ook school – de linkervleugel – en de kunstenaars in hun ateliers wisten precies wanneer de speelkwartiertjes losbarsten. In die oude volksbuurt werden de kunstenaars moeiteloos getolereerd. Het waren dan ook jongens die zelf uit het arbeidersmilieu waren voortgekomen en een nogal onartistiek bestaan leidden: ’s morgens vroeg op de fiets of brommer van huis, het broodtrommeltje achterop. Eenmaal is er wel een kleine volksopstand geweest toen beeldhouwer Jan Meefout een buurtjongen een klap had gegeven nadat deze voor de zoveelste keer bij het voetballen een atelierruit had ingeschoten. Een opgewonden menigte verzamelde zich voor de poort en eiste genoegdoening. Het toeval wilde dat juist deze jongen ooit aan zijn hoofd was geopereerd. Zijn moeder, gesecondeerd door een paar bootwerkers, jeremieerde over een ‘heel duur hoofd’ waarop Jan Meefout, zelf geboortig uit de Pijp en ook niet op zijn mondje gevallen, aanbood tien gulden te betalen op voorwaarde dat hij de jongen een tweede lel mocht verkopen. Maar verder was het pais en vree, deden de kunstenaars hun boodschappen in de winkels op de kruising van de Derde Wittenburger en de Grote Wittenburgerstraat en keek niemand naar hen om. In de loop van de jaren ’60 kwam het gebouw geheel ter beschikking van kunstenaars en in de jaren ’70 en ’80 zouden zij getuige zijn van de totale kaalslag van het industriële verleden van het eiland en de bouw van een nieuwe woonwijk.

Zoals de Zomerdijkstraat vanaf de start in 1934 bevolkt werd door kunstenaars uit de generatie van 1900 – Wezelaar, Van der Veen, Carasso e.a. – zo was het de generatie van 1915 die als eerste de lokalen van Wittenburg betrok. De Rijksacademie van Beeldende Kunsten aan de Stadhouderskade, in het bijzonder de afdeling Beeldhouwen van prof. Jan Bronner, was de plaats waar de oervaders van Wittenburg elkaar hadden leren kennen. Toch was het een schilder, Joop Willems, die als eerste een atelier op de derde verdieping betrok, er ook ging wonen en met zijn lieve vrouw Anneke een gezin stichtte. Hun zonen Peter-Paul en Herman zouden onze jeugdvrienden worden. Maar de drie lokalen aan de begane grond waren voor de beeldhouwers en klasgenoten – gerekend vanaf de hoofdingang – Arie Teeuwisse, Cor Hund en Jan Meefout. Dat er een zekere band bestond tussen Wittenburg en de beeldhouwklas van de Rijksacademie moge blijken uit de komst enkele jaren later van de beeldhouwers Herman Janzen, Theresia van der Pant, Julia van Verschuer en Fioen Blaisse. Zij behoorden tot de eerste lichtingen uit het onderwijs van Piet Esser die in 1947 Bronner was opgevolgd. Het waren dus vrijwel allemaal beeldhouwers die het ateliercomplex Wittenburg in de eerste halve eeuw van zijn bestaan hebben bevolkt en de uitzonderingen waren de genoemde Joop Willems, de graficus Jaap Kruijff en de schilder Constant. De laatste was een jeugdvriend van Teeuwisse en had ook de Rijksakademie doorlopen, maar hij hield zich, waarschijnlijk mede door zijn actieve betrokkenheid bij CoBrA en deAusbreitung und Nachwirkung daarvan in bijvoorbeeld Nieuw Babylon, vriendelijk afzijdig van het sociale verkeer van de overige ‘Wittenburgers’. In artistiek opzicht was dit overigens een gelegenheidsensemble van bevriende kunstenaars dat slechts een enkele keer in deze vorm naar buiten is getreden en zich toen voor de aardigheid had versterkt met de beeldhouwer Henk Dannenburg, een vriend van Teeuwisse en Meefout die weliswaar in de Zomerdijkstraat woonde maar zich meer thuis voelde bij zijn oud-klasgenoten. In de jaren zestig kreeg de vermaarde uitvoerder Nol Kneulman, neef van beeldhouwer Carel Kneulman die op Wittenburg is geboren, het lokaal aan de begane grond, links van de hoofdingang van de school. Zijn meest zichtbare wapenfeit was de armatuur voor het Wilhelminamonument van Van der Pant dat lange tijd op de binnenplaats stond opgesteld. Door de uitbreiding van de werkzaamheden van deze alleskunner verrees er na verloop van tijd op de binnenplaats een grote keet die al snel volgestouwd raakte met constructiematerialen. Met bovenstaande lieden is de nucleus van de Wittenburgers wel genoemd en, zoals dat gaat, verlieten zij hun atelier pas tussen vier plankjes. Toch zijn er in die jaren diverse passanten geweest die het vermelden waard zijn. Ten eerste natuurlijk de eerbiedwaardige Irmgard Meefout-Stahl, zelf beeldhouwer maar als moeder van drie kinderen in eerste instantie hoeder van haar gezin in tijden van grijze armoede. Pas in haar laatste jaren proefde Irmgard het genot van ongestoord te kunnen werken in een eigen atelier, direct boven dat van haar Jan. Illuster was het echtpaar Stuyf-Edinof dat zichzelf in de nachtelijke uren luchtte op de binnenplaats, in het gezelschap van een nerveus aapje.

Het atelier van Teeuwisse fungeerde min of meer als het praathuis van deze werkgemeenschap die tussen ca. 1950 en 1980 vrijwel ongewijzigd bleef. Het lag dan ook meteen rechts van de ingang en bij mooi weer stonden de deuren open. Herman Janzen passeerde nooit zonder de laatste grove moppen te debiteren en Joop Willems, de zachtmoedige major domus van het complex, maakte zijn dagelijkse rondje als hij de post ging ophalen. Het koffie-uurtje tussen de middag, toentertijd de enige onderbreking van de dag, passeerden de bevriende beeldhouwers geregeld rond de kachel in Teeuwisse’s atelier dat zich al snel hulde in sigarenrook. Een enkele keer werd het afgesloten met een partijtje schermen op de gang, een overblijfsel van de academiejaren. Steenhouwer Meefout had een voorliefde voor de sabel, boetseerder Teeuwisse prefereerde de degen en het rapier. In de schoolvakanties zwierven de kinderen van Willems en Teeuwisse door het gebouw en over de binnenplaats en met de vaders erbij werd er gevoetbald. We hebben er leren fietsen en onze eerste brommers uitgeprobeerd. De binnenplaats was toen nog een open en werkzame ruimte. In de hoek onder het gebladerte van de grote boom bij de muur lagen de blokken natuursteen die Jan Meefout had verzameld en die ons dienden tot springtuin. Na verloop van tijd wisselden sommige van deze kunstenaars hun fietsen in voor een auto die met grote precisie door de poort moest worden geloodst. In die jaren was Amsterdam nog zeer autoluw. De Wittenburgers liepen elkaars deur niet plat maar de onderlinge vriendschappelijke omgang bleef eigenlijk altijd intact. Zij die in het onderwijs actief werden, kregen minder tijd om naar het atelier te gaan, kinderen groeiden op, vriendschappen met andere kunstenaars zorgden voor nieuwe oriëntatie. De eerste en enige crisis op Wittenburg deed zich pas voor in de jaren ’80. De binnenplaats was inmiddels als florale lusthof gemeubileerd en de eigenaren van katten en honden bonden met elkaar de strijd aan. Een aantal Wittenburgers wenste zich niet te mengen in deze strijd maar daarvoor bleek het huis te klein. Deze verzuring van de atmosfeer deed natuurlijk niemand goed en bevorderde een verder terugtrekken in het eigen atelier. Uiteindelijk was het een storm in een glas water die vanzelf tot rust kwam door het vertrek of overlijden van de eersten der Mohikanen en de instroom van nieuw bloed in dit unieke Amsterdamse Bateau Lavoir.

Jaap was 33 jaar toen hij op Wittenburg kwam wonen.Voor ons kinderen was hij een wat mysterieuze figuur die we in het monumentale trappenhuis tegenkwamen, en dan vaak op momenten waarin we betrapt werden op de ongein die we uithaalden, daartoe uiteraard aangespoord door de jongens van Willems. Jaaps postuur – rijzig, sportief, knap, een wapperende haardos – was voornaam, zijn aarzelende manier van praten – het zoeken naar woorden – innemend. Hij was gereserveerd maar vriendelijk, bleef altijd iets jongensachtigs houden, en zijn mysterie werd ook versterkt door een verhaal dat rondging over een vreselijk ongeluk in zijn vorige gezin. Zijn spraak vermoedde een Duitse afkomst maar zijn naam was oer-Hollands en hij leek ook helemaal niet op de Duitser zoals die bij ons thuis in die jaren nog werd getypeerd. In de bevriende kringen van mijn vader gold Jaap Kruijff als een uitstekende graficus en een fijne collega. Een monumentale litho met prachtige doortekende bomen, geruild tegen een beeldje, had bij ons thuis een ereplek al kon mijn vader het niet laten om in dat fijne gebladerte een klein portretfotootje van beeldhouwer Nic Jonk te plakken, die eruit piepte als een boskabouter. Voor de oppervlakkige beschouwer was Jaap Kruijff een man die telkens onderweg was, van het ene huis naar het andere, van Friesland naar Italië, en in zijn kielzog vrachten meubilair verhuisde en daarbij ook nog een zeilschip onderhield. Pas later had ik het genoegen een dag in het gezelschap van Jaap en Lisa te zijn, op de achterbank van hun auto van Berlijn naar Amsterdam. Ze hadden twee oude tantes van Jaap bezocht en mijn Berlijnse broer zette mij ’s morgens vroeg af bij het huis van deze dametjes in de tot de verbeelding sprekende wijk Onkel Tom’s Hütte. Het was gedurende die tocht van 700 kilometer dat ik Jaap kon uitvragen over zijn Berlijnse jeugd en hij voor mij enigszins tevoorschijn is gekomen. Ik verheug me op de oplossing van zijn mysterie in deze eerste monografische publicatie die aan hem – zij het postuum – is gewijd

Dit bericht is geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *