Enige lithografieën van Jaap Kruijff: een oerbegin in de Provence.

Hans Sizoo:

‘Enige lithografieën van Jaap Kruijff: een oerbegin in de Provence.’

Over de inspiratie van de tekenaar en graficus Jaap Kruijff verneem ik, dat deze vooral werd opgedaan rond het buitenhuis van de familie Kruijff in de Provence, ofwel nauwkeuriger gezegd, het stukje van de Provence dat in Italie onmiddellijk aan de Franse Provence grenst. En daar ter plekke vooral dankzij de bomen die er de omgeving stoffeerden. De werken die dit boek aan de liefhebber wil tonen geven dat in de meeste gevallen ook te bemerken. Bomen te over, meestal in groepjes, altijd onregelmatig gegroepeerd en altijd meer natuur dan landschap. En dat is het dus? Dat is het slechts gedeeltelijk, ook waar het alleen om de bomen gaat. Eigenlijk leren we dat al uit de techniek die Kruijff’s voorliefde had: de lithografie. In de Provence maakte Kruijff zijn tekeningen en schetsen, oog in oog met het motief, maar de techniek van de lithografie is voor zulke directheid te omslachtig. Die lithostenen, bijvoorbeeld, zijn gewoon wat te zwaar. Pas op het atelier van Kruijff in Amsterdam konden daarom zijn litho’s ontstaan. Dit ontstaan ging met heel wat meer overleg gepaard dan een schets in de natuur van de kunstenaar pleegt te vergen of hem zelfs maar kan toestaan. De afbeeldingen op pagina 52 en 53 in dit boek, die vier verschillende stadia van het ontstaan van een enkele lithografie laten zien geven ook ons nog een indruk van het overleg dat die ene litho vergde van Kruijff. Niet in een enkele artistieke geste maar inderdaad pas per stadium vulde zich er het beeld, elk nieuw beeld het al bestaande beeld aanvullend, nuancerend en accentuerend, telkens een stap verder naar de uitdrukking die Kruijff bevredigen kon. Toch leeft ook de indruk die ver weg in de Provence werd opgedaan er nog. Behalve in Kruijffs getekende notitites moet zij nog aanwezig zijn geweest in een visueel geheugen van verbazende precisie en in een gevoel dat in de herinnering bleef bewaard. Ook in de litho’s is het dus inderdaad de Provence, of beter gezegd: één van de minder gecultiveerde landschappen van dat gebied. De kleur ontbreekt, maar des te voelbaarder present zijn er het licht en de atmosfeer van het uur van de dag. Het vroege morgenlicht dat het groepje bomen en struiken (afb. p. 29) poogt te doordringen blijft gevangen in een ochtendnevel die de vormen met fluwelen handschoen van hun vaste contour ontdoet, alsof ook die bomen tot transparante dampen moeten worden gemaakt. Hetzelfde licht wordt al heer en meester van het toneel (afb.p. 31) als het heldere blinken van de boom achteraan zijn tol opeist van een gehavende eik op de voorgrond door zijn ronding plat te slaan tot niet meer dan een scherp omlijnd silhouet. Ging het Kruijff alleen om dat spel, soms dat gevecht, van licht en schaduw? Het verwilderde geboomte (afb. p. 25) dat eens een geordende olijfgaard moet zijn geweest suggereert ons iets anders. Het licht-donker kent er geen rust en maakt er een strijdtoneel van, tot nog heftiger bewogenheid aangevuurd door een streek van het penseel die naar alle kanten uitschiet.

Jaap Kruijff, leren ons zulke verbeeldingen van een landschap, moet de natuur van zijn waarneming hebben afgetast op de tekenen van een bezieling. –

Die bomen stonden er niet zomaar, zoals de bomen van de realistische kunst, en ook stonden ze niet zomaar in het licht zoals de bomen van de impressionisten. In het licht van Kruijff doen ze zich voor als tastbare werkelijkheid en als ontastbare verschijning tegelijk. Bij de terugblik vanuit het atelier moet hij dus hebben gezocht naar een uitdrukking ook daar nog van.

En dat alles binnen de grens van een toch ook opvallende beperking. Inderdaad ontbreekt hier de kleur; maar voelbaar als een gemis is de kleur er niet. Bij alle veelheid van afwisseling en van uitdrukking hebben de vorm en de toon er genoeg aan zichzelf, dus aan het zwart van de inkt en het wit van het papier. Maar weinig blijkt dat niet te zijn. Alles wat tussen dat wit en zwart aan nuancen van grijs aan de lithografische inkt kan worden ontlokt werd hier gemobiliseerd en dat is het enige niet. Het andere scala dat te hulp werd geroepen is dat van het grafische teken. Wat het lithokrijt, het penseel, de pen en wie weet welk tekentuig nog meer aan variëteit van tekens en accenten, tonen en structuren in deze litho’s achterlieten grenst aan het ongelooflijke. De lezer van deze woorden neme er het vergrootglas maar bij en hij verwondere zich. Het technisch vernuft dient echter een uitdrukking, altijd; men vergelijke de poederfijne structuur die aan het geboomte (afb. p.34) hun gewichtloosheid van wuivende veren in de nevel verleent met de korreligheid die de bomen (afb. p. 37) nog juist doet standhouden in een licht dat het pleit al won. Of ook, maar daar heel anders, de breed vloeiende penseelstreek die het klapwieken van de roofvogel (afb. p. 54) al bijna doet opgaan in de omringende atmosfeer tegenover de niet minder brede, maar agressief bewogen en zwaar met inkt beladen streken die het oevergewas bij de baadsters van een penseeltekening als die van de afbeelding op p. 45 doet kennen als een schuilhoek van dreiging en gevaar.

 

In de panoramische landschappen en in de figuurtaferelen die ons het zicht op een andere aspect van Kruijff’s oeuvre openen, – de baadsters (afb. p.45) waren er al een voorbeeld van – dient zulke uitdrukking een groter verhaal. Het centrale drama van dat verhaal, althans voorzover het wordt verteld door de reproducties in dit boek, is dat van een nietige mens tegenover een machtige en niet alleen maar welwillende natuur. De wind en een woelig water hebben er vrij spel, de Provençaalse zon krijgt er maar nauwelijks een kans. Ook laten zich er gevaarten van menselijke makelij ontwaren, onderkomens die sinds lang verlaten moeten zijn of die er zelfs zijn vergaan. Belaagd door een stormachtig bewogen atmosfeer kleven ze tegen de flank van een berg, scheef gezakt als cruiseschepen die al ijstijden geleden aanspoelden op de golven van een te hoge vloed en vanuit een sinds lang verloren beschaving (afb. p. 56).

De mensen die deze natuur bevolken zouden kunnen dateren van een ijstijd later, misschien al van het dagen van onze eigen tijd. Ze verschijnen aan ons als de primitieven van een nieuw begin. Zullen zij het weten te redden in de woestenij van deze natuur? De vrouwen onder hen, die we meestal in elkaars gezelschap zien, lijken zich om vragen van deze soort niet te bekreunen. Wat de woestenij hen bood was tenminste al een plek voor de gezamenlijke ontspanning, gevonden in een holte van de berg of langs een watertje. Zulke uitjes van vriendinnen zijn in de kunst van het Westen niet ongewoon. Ook de godin Diana en haar nimfen trof men wel op deze manier in de vrije natuur en sinds de dag dat de schilder Titiaan het zicht op hun naaktheid gunde aan het oog van Aktaion en van ons lieten al zulke baadsters het badpak thuis. Meestal – bij een Renoir, een Cézanne, een Matisse – bood de omringende natuur een vriendelijk welkom aan het poedelend vertier. Hoe ligt deze verhouding hier? De stemming is vredig en argeloos. Eén van deze vrouwen leest zelfs een boekje; geen vermoedt gevaar. Voor het gevoelen van Kruijff was het kennelijk de vrouw die het innigste contact onderhield met de natuur. Zelfs als was ze nog bijna een onderdeel ervan. Maar ook de natuur zelf is er nog en al te zeker van hun rust kunnen deze vrouwen niet zijn. Gunt de verte voorbij sommige baadsters van Cézanne ons tenminste nog het zicht op een dorp met een kerktoren, voorbij het watertje (afb. p. 45) wacht onze blik slechts een weinig herbergzame natuur. Wie haar niettemin voor allen maar lieflijk zou willen houden wordt uit de droom geholpen door de roofvogel (afb. p. 54) die genadeloos zijn honger stilt met een misschien nog half levende maar al machteloze prooi. Ook dit zijn krachten van de natuur, jazeker wel, zodat de baadsters langs dat watertje zich maar beter iets kunnen afvragen over de zware schaduw die een deel van het gezelschapje in het halfduister hult en over een nabije wildernis van kreupelhout en geboomte waarvan het agressief bewogen zwart slechts gevaar spellen kan. ‘ Trek je kleren aan en gauw naar huis!!’, zou je deze argeloze schonen willen toeroepen. Weg van die schaduw en van dat zwart, weg van het gevaar.

Of dat huis en zelfs die kleren al beschikbaar zijn voor deze dames is echter een vraag. Om een vrijetijdstenue hoeft het bij deze naaktheid namelijk niet te gaan. Anders dan de wereld van de baadsters van meer recente tijd, althans die van de schilderkunst, toont deze wereld ons ook de weinige mannen die we er aantreffen ongekleed. Met enig sportief vertier langs het water heeft deze naaktheid echter niet van doen. Zij verschijnen geïsoleerd in het beeld: terug van de jacht met de buit van een dierenvel of datzelfde vel uitspoelend langs de waterkant (afb. p. 56). Hun bezigheid dient een praktisch nut, zoals een bekleding van wat om de bekleding vraagt. Met dat begin van een kledij brengen deze mannen dus een begin van een beschutting tegen de natuur, en daarmee een begin van beschaving. Zelfs de vrouw, blijkt ons uit de afbeelding op p. 44, kan de vrucht daarvan gebruiken. Als we kunnen afgaan op de man van afbeelding op p. 55 is er zelfs nog iets meer. Opduikend uit een baaierd van onduidelijke samenstelling heft hij in triomf een ruikertje van twijgen naar het licht. Met enig praktisch nut voor de mens, zoals het nut van de kledij, heeft dat ruikertje niet van doen. De vrucht van dit werk, waarvoor de natuur slechts het materiaal kon leveren, moet wel een schoonheid zijn die alleen zichzelf dient en ons oog. Mij komt dat ruikertje dan ook voor als een eerste aanzet tot wat – misschien pas een ijstijd later – de kunst zal zijn.

Niet alle mannen van de gewone wereld beschikken over een anatomie die zo algemeen van proportie is en zo toonbaar van harmonie als die van de mannen van deze litho’s. Kennelijk gaat het hier om de soort van naaktheid die in de westerse kunst al vanouds op een heroïsche algemeenheid duidt. ‘De’ man, dat moet deze man dus wel zijn, in een nog primitieve maar al volledig menselijke staat. Hetgeen ons kan doen vermoeden dat de vrouwen van deze wereld wel ‘de’ vrouw moeten zijn, zij het dan ‘de’ vrouw van primitieve tijden.

Aan de man van diezelfde tijden de taak om zowel de vrouw als zichzelf te voorzien van enige beschutting tegen de minder lieflijke kanten van de natuur. En daarmee van dat begin van een beschaving. En blijkbaar was hij het die al doende de weg ontdekte naar een schoonheid van menselijke vinding, dus uiteindelijk naar de kunst. Alleen van beschaving en kunst echter overleeft de menselijke soort niet. Zonder dat contact met de natuur, hoe argeloos het contact op zichzelf ook wezen mag, waarvan de vrouw het geheim bezit, gaat het evenmin. En zie daar een roeping en een rol voor de vrouw.

De bezetting der rollen in deze wereld getuigt van een tamelijk klassiek te noemen zicht op een tijdloze verhouding. Revolutionair is dus iets anders. Maar wat belangrijker is, ook klassieke inzichten kunnen persoonlijk worden aangevoeld. En persoonlijk is het gevoel hier zeker, getuige alleen al de zeer expressieve vorm. Dat geboomte van een zelf bekeken en ervaren natuur geeft ons het gevoel al te bemerken, de dramatische bewogenheid die dat decor van een wijdsere wereld doorwaait bewijst het ons. Bij Kruijff moet het zijn gegaan om meer dan alleen een overtuiging, of laat ons zeggen dan een vermoeden, van het verstand. Een natuur van Kruijff, een bewogenheid van Kruijff, een fantasie van Kruijff, de oneindig gevarieerde tekentaal van Kruijff – ze leren ons van een onmiddellijk betrokken gevoel. En het is dat gevoel dat deze wereld tot leven wekt. Inspiratie dus gewoon – van waar anders het trillende leven van deze kunst?

Dit bericht is geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *